De economie van de vrijwilligers

///De economie van de vrijwilligers
  • copyright Veronica Brugmans

De economie van de vrijwilligers

‘Laat ze vrijwilligerswerk doen.’ De uitspraak komt heel regelmatig naar boven in discussies over (langdurig) werklozen. De gemeenschapsdienst die de regering Michel invoert, lijkt een stap in die richting. Maar een wondermiddel is het niet, waarschuwen experts.

Rien is 24, studeerde af als psycholoog en is al ruim een jaar op zoek naar zijn eerste job. In afwachting zet hij zich in als vrijwilliger in een weeshuis. Zo doet hij alvast ervaring op. Bart is 53 en verloor vorig jaar zijn job als productiearbeider. Omdat de zoektocht naar een nieuwe job niet vlot en hij zich nuttig wil maken, steekt hij een handje bij in het plaatselijke rusthuis. Hij bemant er enkele middagen per week de bar. Lieve is 42 en bleef jarenlang thuis om voor de kinderen te zorgen. Nu die wat groter zijn, zou ze graag weer aan de slag gaan. Ze denkt dat vrijwilligerswerk een goede opstap kan zijn naar een betaalde job. En dus solliciteerde ze bij haar gemeente naar een vrijwilligersjob als onthaalbediende.

Wat Rien, Bart en Lieve doen, klinkt zeer logisch. Meer nog, het is lovenswaardig dat ze zich in afwachting van een vaste job inzetten voor de maatschappij. Ze doen ervaring op, hebben sociale contacten, krijgen zelfvertrouwen en de samenleving wordt er een stukje beter van. Een perfecte win-win, zo lijkt het.

Uitkering kwijt

En toch volgt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening die redenering niet helemaal. Sommige werklozen verliezen door hun vrijwilligerswerk zelfs hun uitkering. Onbezoldigd bijspringen in de bakkerij van een familielid kan bijvoorbeeld niet als je een werkloosheidsuitkering ontvangt. Als vrijwilliger aan de slag gaan voor niet-commerciële organisaties zoals een school of een cultureel centrum kan onder bepaalde voorwaarden dan weer wel. Maar sowieso moet de werkloze eerst toestemming vragen aan de RVA. Is die van oordeel dat de werkloze door het vrijwilligerswerk onvoldoende beschikbaar is voor de arbeidsmarkt of krijgt hij taken die gewoonlijk niet door een vrijwilliger worden uitgevoerd, dan zal de RVA de toelating weigeren.

Dat de RVA ‘streng’ optreedt, heeft alles te maken met zijn strijd tegen zwartwerk en oneerlijke concurrentie. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat werklozen allerlei werk verrichten waarvoor normaal zou betaald worden. Want zo verdwijnen er jobs en grijpen andere werkzoekenden naast kansen. Een terechte bekommernis, ervaart Eva Hambach van het Vlaams Steunpunt voor Vrijwilligerswerk. “Ik heb de vragen die we sinds 2009 op ons Steunpunt binnenkregen geanalyseerd en het is opvallend hoezeer organisaties tegenwoordig de grenzen van het vrijwilligerswerk aftasten. Een medewerker van een ziekenhuis liet ons bijvoorbeeld weten dat zijn directie beslist had om bepaalde gespecialiseerde diensten over te dragen op vrijwilligers. Hijzelf was ertegen, maar zijn collega’s vonden het best handig, want meer mensen betekende minder problemen voor het dienstrooster. Als Steunpunt hebben we aangeraden om zijn bezorgdheid aan te kaarten en uiteindelijk is de vakbond ertussen gekomen. En zo zijn er tientallen andere klachten die aantonen dat organisaties heel soepel omspringen met het vrijwilligersstatuut. Kijk maar naar scholen. Ze zoeken vrijwilligers om de klassen te poetsen, om over de middag toe te zien op de speelplaats, om de kinderen te begeleiden naar het zwembad… Allemaal taken waar echte jobs tegenover zouden kunnen staan.”

Dat organisaties zich soms genoodzaakt voelen om taken naar het vrijwilligerswerk door te schuiven, heeft voor een groot stuk te maken met besparingen. In de vorige legislatuur hebben sommige verenigingen tot 30 procent moeten besparen. En ook in deze regeerperiode zullen de verenigingen niet ontsnappen aan de bezuinigingen. Het Vlaamse netwerk ‘de Verenigde Verenigingen’ bevroeg recent zestig erkende verenigingen over hun financiële situatie. Ruim de helft kende de afgelopen vijf jaren financiële moeilijkheden. Driekwart verwachtte dat de middelen het komende jaar verder zullen slinken. Onvermijdelijk moeten veel verenigingen dus op zoek naar manieren om het hoofd boven water te houden: lidgelden verhogen, activiteiten afbouwen, snijden in de kosten, snoeien in personeel… en/of vaker beroep doen op vrijwilligers.

Vrijwilligers lijken zo een belangrijkere rol te spelen in onze samenleving, al zien we dat voorlopig nog niet zo hard in de cijfers. Volgens de Studiedienst van de Vlaamse Regering zou in 2012 iets meer dan één op de vijf volwassen Vlamingen zich engageren als vrijwilliger. In 1996 was dat nog één op de zeven. Op de lange termijn is de trend dus stijgend, zij het niet zo sterk. Ludo Struyven, professor en onderzoeker van het Hiva – KU Leuven: “We leven langer en we hebben meer vrije tijd, dus is het niet verrassend dat de groep vrijwilligers stijgt.” Wat wel opvallend is, is dat het aantal uren dat een vrijwilliger zich inzet, terugloopt. Blijkbaar kiezen mensen vandaag eerder voor kortstondige dan voor langdurige engagementen. De meeste organisaties passen hun vrijwilligersjobs aan deze evolutie aan.

Slanke overheid, sterke verenigingen

Hoe de toekomst van het vrijwilligerswerk eruitziet, is voorlopig koffiedik kijken. Hambach: “Veel hangt af van de invulling die we vandaag geven. Zien we vrijwilligerswerk als een vluchtroute voor mensen die elders niet aan de bak raken of als een volwaardige economische pijler met een eigen dynamiek? En wat zal het effect van al dat langer werken zijn? Stellen we de stap naar het vrijwilligerswerk dan ook uit?”

Ze verwacht wel dat de vraag naar vrijwilligers vanuit de overheid verder zal stijgen. Kiezen voor een slanke overheid, betekent immers dat er minder diensten van bovenaf georganiseerd worden en meer verantwoordelijkheid aan de burgers wordt gegeven. Wie er de regeerverklaring van de Vlaamse regering op naslaat, leest dat ook (bijna) letterlijk: ‘We moeten met zijn allen goed beseffen dat het niet de Vlaamse Regering en haar administraties in Brussel zijn die schoonheid en kunst creëren, die onze jonge mensen opleiden tot op een hoog niveau, die innovatieve nieuwe diensten en producten ontwikkelen. Het zijn onze ondernemers, onze leraars en directeurs, onze docenten en professoren, ons middenveld, onze verenigingen, onze welzijnssector, onze lokale besturen, kortom, het ‘levende Vlaanderen’ aan wie we vertrouwen moeten geven. Hun moeten we de ruimte geven om creatief te zijn, om maatwerk te leveren in functie van lokale noden en wensen, om zichzelf op een effectieve en efficiënte manier te organiseren. Zij zijn het die, vanuit hun enthousiasme en gedrevenheid, hun kennis en capaciteiten, het best geplaatst zijn om kwaliteit te leveren. Met deze Vlaamse Regering maken we een radicale en jonge omslag en geven we hun het vertrouwen en de verantwoordelijkheid die ze verdienen.’

Dat onze overheden het menen met die verantwoordelijkheid blijkt bijvoorbeeld uit de beslissing van de Federale regering om langdurig werklozen twee halve dagen per week gemeenschapsdienst te laten doen. Werkzoekenden die weigeren, kunnen hun uitkering verliezen. Lesley Hustinx, docent aan de vakgroep Sociologie van de Universiteit Gent en betrokken in studies naar het vrijwilligerswerk: “Ik ben alvast opgelucht dat de politici hiervoor niet het begrip vrijwilligerswerk gebruiken. Ik hoop dat er vooral goed gekeken zal worden naar de situatie van de werkloze in kwestie en dat er gezocht wordt naar zinvolle arbeid die mensen perspectief geeft. Voorbeelden uit Nederland, dat al langer bezig is met gelijkaardige vormen van sociale activering, leren dat het vooral belangrijk is dat werklozen niet zomaar ‘iets’ doen en dat er een traject op maat komt. Uiteindelijk is het de bedoeling dat werklozen via de gemeenschapsdienst vaardigheden leren en herstellen van hun problemen uit het verleden. Ik hoop dat we niet in een voor-wat-hoort-wat-logica terechtkomen want dan geef je hen het gevoel dat het hun eigen schuld is dat ze in die situatie zitten. En dat duwt hen nog dieper in de put.”

Ludo Struyven (Hiva – KU Leuven) deed eerder in eigen land onderzoek naar sociale activering. Hij stelt voor om OCMW’s een belangrijke rol te geven bij de invoering van de gemeenschapsdienst. “Zij hebben ruime ervaring met allerlei vormen van sociale activering (ook vrijwilligerswerk, nvdr), werken met een ruim doelpubliek, hebben tal van eigen diensten en zijn lokaal ingebed. Bovendien gaat hun opdracht verder dan mensen aan een job helpen. Dat maakt dat ze met een ruimere bril naar mensen kijken. Ze hebben oog voor problemen die voor de VDAB vaak onzichtbaar blijven. Bouw dus de bestaande initiatieven binnen OCMW’s verder uit en versterk de samenwerking met VDAB, want wie uiteindelijk naar het reguliere arbeidscircuit stapt, moet verder ondersteund worden. Het gaat dus haast om individueel maatwerk, wat het kostenplaatje er niet minder op zal maken. Gesofisticeerde toepassingen van ‘Mijn Loopbaan’ waarmee de VDAB werkt, zullen voor deze doelgroep niet volstaan.”

“Verwacht van die gemeenschapsdienst vooral geen wonderen”, besluit Struyven. “Besparen op uitkeringen zal je er in elk geval niet mee doen, want slechts een minderheid van de langdurig werklozen zal op die manier terug op de arbeidsmarkt raken. De uitkering afhankelijk maken van de bereidheid om gemeenschapsdienst te doen, staat haaks op het verzekeringsprincipe van de werkloosheidsuitkering, waartoe deze langdurig werklozen hebben bijgedragen. Bedenk ook dat een kwart van de langdurig werklozen niet onmiddellijk bemiddelbaar is naar werk, bijvoorbeeld om medische redenen. Voor hen is die gemeenschapsdienst sowieso geen opstap naar betaald werk. Toch is het zinvol hen hiertoe aan te moedigen, want het helpt hen om niet sociaal geïsoleerd te raken en vaardigheden te ontwikkelen, wat indirect ook betekenisvol is voor onze economie.”


 Vrijwilligerswerk = 100.000 voltijdse krachten

Kunnen we iets zeggen over het aandeel van het vrijwilligerswerk in onze economie? Lesley Hustinx, docent aan de vakgroep Sociologie van de Universiteit Gent: “Moeilijk, want er zijn weinig gegevens bekend. Een nieuwe studie in opdracht van de Koning Boudewijnstichting in het voorjaar van 2015 zou mogelijk uitsluitsel kunnen geven. Samen met de Wereldhandelsorganisatie ontwikkelde de John Hopkins University (Baltimore, Maryland) een instrument om de economische waarde van het vrijwilligerswerk te meten. In essentie komt het erop neer dat je berekent hoeveel het zou kosten als je voor de gewerkte tijd een beroepskracht zou inschakelen. Op die manier wordt heel snel duidelijk welke waarde vrijwilligers creëren. Voor ons land verzamelt de FOD Economie de gegevens in haar enquête rond arbeidskrachten.”

In afwachting van de resultaten verwijst Hustinx naar een andere rapport van de Koning Boudewijnstichting. In samenwerking met de Nationale Bank (2013) becijfert de KBS tweejaarlijks het economisch gewicht van verenigingen, waar we ook de meeste vrijwilligers in terugvinden. De gegevens van alle organisaties mét betaald personeel in dienst zijn erin verwerkt. Het gaat om 18.700 organisaties, goed voor 446.500 werknemers of 11,9 procent van de totale werkgelegenheid in ons land (cijfers voor 2010). De instellingen zonder winstoogmerk – denk aan cultuurverenigingen, sportclubs, jeugdverenigingen, vakbonden, politieke partijen, beroepsverenigingen, maatschappelijke organisaties, milieuorganisaties, etc. – vertegenwoordigen een aandeel van 5,5 procent van het Bruto Binnenlands Product. Het verenigingsleven is daarmee een niet te onderschatten economische actor, zeker als je weet dat de sector naar toegevoegde waarde en tewerkstelling jaar na jaar groeit. Tussen 2000 en 2008 zorgden de izw’s voor bijna 36 procent van de nieuwe arbeidsplaatsen. De sector creëerde in die periode 119.000 nieuwe banen, of zo’n 15.000 per jaar. Ondanks de moeilijke situatie op de arbeidsmarkt zette deze stijging zich door in 2010. In dat jaar kwamen bij de verenigingen zo’n 15.900 arbeidsplaatsen bij.

Belangrijke nuance: de gegevens van verenigingen die puur op vrijwilligers steunen, zijn hierin niet meegeteld wegens niet beschikbaar. In werkelijkheid zou het aandeel dus iets hoger liggen. Studies uit het verleden uitgevoerd door het Hiva en de Universiteit van Luik (1995) die wel rekening hielden met het vrijwilligerswerk schatten het aandeel van de sector op 7,1 procent, waarbij het vrijwilligerswerk 1,5 procent vertegenwoordigde, wat overeenkomt met ongeveer 100.000 voltijdse werkkrachten.


 Het profiel van de vrijwilliger

  • De 45- tot 54-jarigen zijn het meest actief in het verenigingsleven, de 25- tot 34-jarigen het minst.
  • Wie samenwoont met partner en kinderen doet meer vrijwilligerswerk dan wie alleen woont of alleenstaande ouder is. Ook hogeropgeleiden en werkenden engageren zich vaker dan lager opgeleiden en werklozen. Met andere woorden, het zijn vooral de sterke groepen uit de samenleving die aan de slag gaan als vrijwilliger. Het gaat vaak om mensen met een breed sociaal netwerk en specifieke professionele vaardigheden.
  • In het vrijwilligerswerk vinden we evenveel mannen als vrouwen. Mannen nemen vooral bestuursfuncties op; vrouwen concentreren zich op hulpverlening en verzorging.
  • Populaire taken van vrijwilligers zijn: administratie, hulpverlening, verzorging en ondersteuning, klusjes opknappen, vergaderen en besluitvormen, activiteiten organiseren, voordrachten houden en/of lesgeven.

Verschenen in Trends van 4 december 2014.

2018-03-02T09:39:10+00:00 04/12/14|Categories: Trends|Tags: , , |Reacties uitgeschakeld voor De economie van de vrijwilligers